Gregory Bateson, een Britse bioloog, antropoloog en filosoof, introduceerde de gedachte dat in het menselijk denken en leren een hiërarchie van neurologische niveaus te onderscheiden is. De hiërarchie bestaat uit 6 niveaus. Robert Dilts bewerkte ze tot het volgende:

Omgeving

Dit is het laagste niveau in de hiërarchie van het gedrag: de omstandigheden waarin mensen handelen met hun mogelijkheden, beperkingen, regels en voorschriften. Kernvragen zijn:

  • Waar reageer ik op
  • Wanneer en met wie?

Gedrag


Het tweede niveau is het gedrag zelf: de waarneembare acties en reacties die iemand in zijn of haar omgeving vertoont. Kernvragen zijn:

  • Wat doe ik?
  • Hoe handel ik?
  • Wat is mijn gedrag?

Vaardigheden

Het derde niveau wordt gevormd door de vermogens: de inzichten, capaciteiten, vaardigheden en denkstrategieën waarover iemand beschikt.

Kernvragen zijn:

  • Hoe pak ik het aan?
  • Wat kan ik?

Overtuigingen

Het vierde niveau bestaat uit de overtuigingen: iemands generalisaties, criteria, normen, waarden en verwachtingen. Kernvragen zijn:

  • Waarom doe ik het?
  • Wat vind ik belangrijk?
  • Waar gaat het mij om?

Identiteit

Het vijfde niveau is dat van de identiteit: de missie die men in het leven heeft, het zelfbeeld en de bijbehorende gevoelens van uniciteit en eigenwaarde. Kernvragen zijn:

  • Wie ben ik?
  • Wat voor iemand ben ik?
  • Wat is mijn levensdoel?

Spiritualiteit

Het hoogste niveau in de hiërarchie is de spiritualiteit: de intuïties omtrent het grotere geheel waarvan men deel uitmaakt, alsmede de roeping en de bezieling die dat grotere geheel verfschaft. Kernvragen zijn:

  • Van waaruit handel ik?
  • Waar ben ik een onderdeel van?
  • Wat is het grotere geheel dat mij leidt?

Onderlinge samenhang van de 6 niveaus

De onderlinge samenhang tussen de logische niveaus wordt door Robert Dilts als volgt gedefinieerd:

  1. Een hoger logisch niveau organiseert de informatie op de onderliggende niveaus
  2. Veranderingen en leerprocessen op een bepaald logisch niveau vragen om stabiliteit op het naast hogere niveau
  3. Een verandering op een hoger logisch niveau zal veranderingen op de lagere niveaus teweeg brengen
  4. Een verandering op een lager logisch niveau kan verandering op een hoger niveau teweeg brengen
  5. De oplossing voor een probleem ligt doorgaans op een ander (hoger of lager) logisch niveau dan het probleem zelf
  6. Op ieder logisch niveau verlopen de leerprocessen anders en komen veranderingen op een andere manier tot stand

Een voorbeeld:

Tijdens een gesprek met een medewerker probeer je hem ertoe over te halen om een nieuw project op te zetten en de uitvoering daarvan te coördineren. Zijn reactie is niet zoals je verwacht: hij geeft aan dit liever niet te willen. Zijn reden: “Ik ben nu eenmaal niet zo iemand die de kar trekt”. Je probeert hem te overreden om de klus toch te accepteren en zegt dat je hem wel een voorbereidende cursus wil aanbieden.

Dit argument zal niet echt effectief zijn. Waarom?

De medewerker geeft aan dat zijn probleem op Identiteitsniveau ligt. Dit herken je door de woorden die hij gebruikt (Ik ben nu eenmaal niet iemand die …). De hulpmiddelen die jij hem aanreikt liggen op het niveau van zijn capaciteiten (een cursus om hem vaardigheden te leren). Dit sluit niet op elkaar aan. De mening dat hij het niet kan ligt op een vrij hoog niveau. Alle cursussen, opleiding en begeleiding zullen hem er niet van kunnen overtuigen dat hij het wel kan. Het is voor de medewerker geen kwestie van kunnen, maar van iemand zijn die …

 

Vragen die passen bij de Neurologische niveaus.

Omgeving

  • Hoe ziet je omgeving eruit? Hoe ziet je gewenste omgeving eruit? Wat gebeurt er in je omgeving op dit moment?
  • Ben je alleen of zijn er ook anderen of is er nog iets anders?
  • Wat zie je nog meer?
  • Wat zijn je gevoelens in deze omgeving?
  • Hoe zie je je zelf in deze omgeving?
  • Hoe kijk je naar (eventuele) anderen in deze omgeving?
  • Wat is er nog meer?

Gedrag

  • Wat doe je als je doe! is bereikt?
  • Hoe zie je eruit als je doel is bereikt?
  • Wat vind je van je gedrag, hoe voel je je daarbij?
  • Welke dingen zeg je als je doei is bereikt?
  • Hoe is het gedrag van anderen in deze omgeving?

Vaardigheden

  • Welke kwaliteiten, talenten en vaardigheden heb je als je doel is bereikt?
  • Wat kan je dan, welke vaardigheden zet je dan in?
  • Hoe voel je je daarbij?
  • Welke kwaliteiten, talenten en vaardigheden kun je nog gebruiken?

Waarden en overtuigingen

  • Wat geloof je als je doel bereikt is?
  • Wat moet je geloven om je doel te bereiken?
  • Wat betekent het doel voor je?
  • Waarom is het belangrijk voor je om je doel te behalen?
  • Wat zou er gebeuren als je je doel niet haalt?

Identiteit

  • Wie ben je als je doel bereikt is?
  • Welke rol vervul je als je doel bereikt is?
  • Wat is je zelfbeeld, hoe kijk je naar je zelf als je doel bereikt is?

Missie (spiritualiteit)

  • Wat maakt het doel zo belangrijk voor je?
  • Wat betekent het doel voor je?
  • Wat motiveert jou om het doel te behalen?
  • Wat is de meerwaarde van het doel?
  • Vervult het doel een belangrijke waarde in je leven?
  • Is het doel onderdeel van een groter geheel?
  • Maakt het doel je blij?
  • Vervult het doel je passie

OEFENING BAART KUNST

Kijk eens vanuit je eigen rol/ functie (of het belangrijkste ding dat je doet, bijvoorbeeld baan, partner, huisvrouw) naar elk neurologische niveau.

 

  • Omgeving: wanneer en waar doe je dit?
  • Gedrag: wat doe je?
  • Mogelijkheden: hoe doe je dat?
  • Waarden en overtuigingen: wat is voor jou belangrijk, in het kader van dit doen? Wat geloof je, welke overtuigingen heb je om het te kunnen doen?
  • Identiteit: Wie ben je wanneer je dit doet? (of ‘Wie ben je als ‘<rol>’?) Hoe past deze rol met wie je bent?
  • Spiritualiteit/verbondenheid: Wat is je doel in dit te doen? (of ‘Hoe deze rol past in je levensdoel?’ of ‘Hoe zorgt deze voor verbinding tussen jou en met anderen / de gemeenschap/de planeet/God?’)

Neem gerust eens de tijd om je antwoorden op te schrijven