Representatiesystemen zijn de kanalen waarmee mensen ervaringen intern coderen en terugophalen. Elke ervaring die je opdoet, wordt in je zenuwstelsel opgeslagen via een of meer zintuigen: wat je zag, hoorde, voelde, rook of proefde. In NLP worden deze kanalen de VAKOG-systemen genoemd, naar de beginletters van visueel, auditief, kinesthetisch, olfactorisch en gustatoir.
Dat klinkt ingewikkelder dan het is. Het punt is simpelweg dat mensen hun wereld niet op dezelfde manier intern voorstellen. Iemand die een vakantie herinnert, ziet misschien het strand voor zich. Een ander hoort de golven. Weer een ander voelt de warmte van de zon op zijn huid. Zelfde ervaring, andere interne representatie.
De vijf representatiesystemen
Visueel (V) gaat over beelden: alles wat je intern ziet, of dat nu herinneringen zijn, fantasieën of gedachtebeelden. Mensen met een sterk visueel systeem denken vaak in plaatjes en zijn gevoelig voor kleur, vorm en ruimte.
Auditief (A) gaat over geluid en taal: interne stemmen, muziek die je in je hoofd hoort, de toon waarop iemand iets zegt. Auditief ingestelde mensen hechten veel waarde aan hoe iets klinkt en zijn soms gevoeliger voor toon en woordkeuze dan anderen verwachten.
Kinesthetisch (K) gaat over gevoel: lichamelijke sensaties, emoties, temperatuur, druk, beweging. Dit is het systeem van het lijf. Mensen die sterk kinesthetisch zijn, verwerken informatie via hun lichaam en hebben vaak veel aan concrete ervaring.
Olfactorisch (O) is de geur. Dit systeem wordt in NLP minder frequent besproken, maar is neurobiologisch gezien bijzonder krachtig: geuren activeren herinneringen op een directe manier die andere zintuigen zelden evenaren.
Gustatoir (G) is de smaak. Het minst dominante systeem in de meeste NLP-toepassingen, maar het hoort bij het complete model.
Voorkeurssysteem en primair systeem
Iedereen gebruikt alle vijf systemen, maar mensen hebben doorgaans een voorkeurssysteem: het kanaal dat ze het vaakst en het gemakkelijkst inzetten. Dat voorkeurssysteem is te herkennen aan taalgebruik.
Iemand met een visueel voorkeurssysteem zegt dingen als “ik zie wat je bedoelt”, “dat ziet er goed uit” of “dat staat me niet helder voor ogen”. Iemand met een auditief voorkeurssysteem zegt “dat klinkt logisch”, “ik hoor wat je zegt” of “dat vraagt om een toelichting”. Iemand met een kinesthetisch voorkeurssysteem zegt “dat voelt goed”, “ik heb er grip op” of “dat raakt me”.
Dit zijn geen toevalligheden, maar aanwijzingen over hoe iemand intern werkt.
Naast het voorkeurssysteem onderscheidt NLP ook het primaire systeem: het kanaal dat het meest bepalend is voor hoe iemand een ervaring beleeft, en het referentiesysteem: het kanaal waarmee iemand toetst of iets klopt. Die kunnen van elkaar verschillen.
Waarom representatiesystemen er toe doen in communicatie
Als je weet welk representatiesysteem iemand het meest gebruikt, kun je je taal daarop afstemmen. Dat is geen truc, dat is gewoon goed luisteren en vervolgens spreken in een taal die de ander echt herkent.
Stel je voor dat je iets uitlegt aan iemand die sterk visueel is, en jij gebruikt alleen abstracte taal. De kans dat het echt landt, is klein. Maar als je zegt “laat me je laten zien hoe dit werkt” en een schets maakt, of een richtinggevend beeld geeft, komt het opeens wel aan.
Dit geldt andersom ook. Wie veel kinesthetische taal gebruikt tegen iemand die primair auditief verwerkt, merkt soms dat het gesprek stroef loopt zonder dat er een inhoudelijk probleem is. Het zijn als het ware twee mensen die in dezelfde taal praten maar in een ander dialect.
In de NLP Practitioner leer je de representatiesystemen herkennen in gesprekken, ze koppelen aan lichaamstaal en oogbewegingen, en je eigen communicatie bewust afstemmen op die van de ander.
Representatiesystemen en submodaliteiten
Binnen elk representatiesysteem bestaan submodaliteiten: de fijnere eigenschappen van een interne representatie. Een intern beeld kan helder of vaag zijn, groot of klein, dichtbij of ver weg, in kleur of zwart-wit. Een intern geluid kan luid of zacht zijn, van links of rechts komen, als een stem of als achtergrondgeluid.
Die submodaliteiten bepalen mede hoe sterk een herinnering of gedachte voelt. En ze zijn aanpasbaar. Dat is een van de meest praktische toepassingen in NLP: door de submodaliteiten van een interne representatie te veranderen, verander je de beleving ervan.
Veelgestelde vragen
Kun je je representatiesysteem veranderen?
Je voorkeurssysteem is redelijk stabiel, maar je kunt je bewust oefenen in systemen die je minder automatisch gebruikt. De meeste NLP-toepassingen richten zich minder op het veranderen van het voorkeurssysteem en meer op het herkennen van je eigen en andermans voorkeur, zodat je daar effectief op kunt inspelen.
Hoe herken ik het voorkeurssysteem van iemand anders?
De snelste manier is luisteren naar woordgebruik. Predicaten, zoals “ik zie”, “ik hoor”, “ik voel”, verraden welk systeem actief is. Oogbewegingen geven aanvullende informatie: NLP beschrijft een patroon van oogbewegingen dat samenhangt met de interne activatie van representatiesystemen.
Is er een beste representatiesysteem?
Nee. Elk systeem heeft zijn waarde, afhankelijk van de context. Een architect die niet visueel kan denken, zou moeite hebben met zijn werk. Een muzikant die zijn auditieve systeem niet goed kan aanspreken, ook. En iemand die zijn kinesthetisch systeem heeft afgesloten, mist toegang tot een groot deel van zijn eigen gevoelsleven.
Meer leren over representatiesystemen? Dat hoort bij de basisstof van de NLP Practitioner. Wil je eerst een indruk van wat NLP in de praktijk betekent, dan is de Date met NLP een goede eerste stap.
Dit begrip echt leren gebruiken?
In de NLP Practitioner maak je kennis met de begrippen uit NLP en leer je ze in de praktijk toepassen.
Bekijk de NLP Practitioner